Door: Evert-Jan van den Brink

Dit is mede tot stand gekomen met de hulp van mijn broer Henk, nicht Wilna en nicht Miep.

Hoe kom je op het idee om je thuisland te verlaten en te gaan emigreren naar Australië… aan de andere kant van de wereld? Het zou zo zijn dat mijn vader (Willebertus van den Brink), ome Ees (Frederik van den Brink) en ome George (George Visser) het samen bekokstoofd hebben. Ze werkten bij elkaar op de papierfabriek in Renkum. Ome Ees had altijd al weg willen gaan. En aangezien er een neef van ome George al in Australië woonde, is het balletje gaan rollen.

Er werd eigenlijk nooit over het emigreren gesproken. Ik kreeg als 12 jarige te horen dat we naar Australië zouden gaan. Het is dat je aardrijkskunde op school had, dus wist je waar het land lag, maar verder wist je er niets van. We moesten wel inentingen halen en gekeurd worden. Als ik het goed heb, moesten we hiervoor naar Den Haag en moesten we daar naar een ambassade voor de nodige papieren. Ik weet nog wel dat de Belgische koning Boudewijn op dat moment voorbij kwam. Die zagen we van boven uit het raam langs komen.

Weg uit Nederland

De spullen die mee zouden gaan werden opgehaald door een transportbedrijf uit Wageningen en zijn in een grote kist gedaan. De exacte afmeting weet ik niet, maar er zijn nog planken van een meter of drie/vier die de reis gemaakt hebben. Veel kleine dingen werden in grote koffers en een hutkoffer gedaan.

Hoe het afscheid op school ging weet ik niet meer. Ik zat in klas 6 op de Nassauschool in Bennekom bij meester Bokhorst. Ik zie ons afscheid voor me dat we in een bus zaten en er buiten buren en andere kennissen ons stonden uit te zwaaien. In de bus zaten de familie Visser en waarschijnlijk ook al de andere Van den Brink toen wij er bij kwamen.

Van de inscheping in Rotterdam weet ik alleen dat we uitgezwaaid werden. Er zouden in ieder geval een oom en tante uit Harskamp hebben gestaan (ik heb de foto gezien) en dat een andere oom te laat aankwam. Wij waren al aan boord en hij moest ontzetten huilen omdat hij geen goed afscheid had kunnen nemen van ons. Van een van de andere gezinnen was er familie uit Den Haag aanwezig. We vertrokken naar ik meen op 23 april 1960. Ik kan dit mis hebben, want volgens een nicht van me was het op 2e Paasdag, wat op 18 april viel in dat jaar.

De (zee)reis

Het was wel een beleving op het schip, de s.s. Waterman. De kinderen werden af en toe vermaakt met allerlei spelletjes en activiteiten. Je kon er ook naar de film of bibliotheek of naar een kerkje. Voordat je alles een beetje verkend had, had je het schip gehad. Je ging van boven tot onder en van achter naar voor. Je kwam op plekken die niet bestemd waren voor ons, maar alleen voor het bedienend personeel. Het waren voornamelijk mensen van Indonesische afkomst, behalve het hogere personeel zoals pursers tot aan kapitein, dat waren Nederlanders. Op bepaalde tijden kon je bij een karretje thee halen. Als het etenstijd was kwam er iemand door de gang met een soort xylofoontje die hij dan tingelde. Je kon dan naar de eetzaal gaan. Kleine kinderen gingen apart eten.

In de Golf van Biskaje hebben we een beste storm gehad. Je mocht op een bepaald moment ook niet meer naar buiten op dek want je schudde alle kanten op en ze waren natuurlijk bang dat je overboord geslingerd werd. Toen het iets rustiger was mocht je weer naar buiten maar goed vast houden aan de reling. Ik ben toen een keer achterop het dek gaan zitten en toen kon je door de deining over het schip de voorplecht zien. Spannend. Verder tijdens de trip was het tamelijk rustig. Alleen voor mijn moeder niet, die is heel vaak zeeziek geweest. Ik denk zelfs dat de scheepsarts erbij geweest is.

Ik meende dat we als eerste bij Malta aanmeerden. Toen dacht ik Messina, op de teen van Italië. Je kon en mocht niet overal van boord. Verder in Port Said, het begin van het Suez kanaal. Daar kwamen verschillende kleine bootjes langszij en de handelaren die dat waren, gooide een touw omhoog  die vastgemaakt moest worden aan de reling. Zo kon je handel kopen. Maar meest van tijd was het “kijken, kijken en niet kopen”. Mijn ouders hebben toen een kamelen poef gekocht, die nog steeds in het bezit van de familie is.

Door het Suez kanaal was machtig mooi. Zo dicht langs de wal. Je kon de mensen goed zien. Veelal de vrouwen helemaal in het zwart. In Port Said gingen ook mensen van boord die een excursie deden naar Cairo en om de piramiden te bezichtigen.

Tijdens de reis gingen we ook natuurlijk over de evenaar en dan is het de gewoonte dat je door “Neptunus” wordt gedoopt. Ik zat onder het meel met water dus een goede douche om je weer toonbaar te maken was geen overbodige handeling. Er waren toch enkele die nog viezer waren. Die werden letterlijk in bad met afval van groenten en weet ik veel wat er nog meer in zat  en ze kregen een rauwe vis in de mond. De rest van onze familie is niet gedoopt.

In Bombay, India, zijn we van boord geweest om de troosteloze stad te bekijken, Wat een armoe. Je moest uitkijken dat je niet over de slapende mensen struikelde. Daarna gingen we naar Singapore waar we ook van boord mochten. Ik meen dat ik daar een transistor radio hebt gekocht.

Aankomst in Australië

In Freemantle, bij Perth, Western Australia, hebben we onze eerste voetstappen in het nieuwe land gezet. We werden door een Nederlands gezin opgehaald en zijn naar hun huis geweest en een beetje sightseeing gedaan. Dat ging van een kerk uit. Bijna ieder Nederlands gezin werd opgehaald door iemand. Het waren natuurlijk wildvreemden.

Daarna was het op naar Adelaide, South Australia, toen naar Melbourne, Victoria, gevolgd door ons eindpunt per schip Sydney, New South Wales op 23 mei 1960. Na de ontscheping gingen we per bus naar het station en vandaar met de trein op naar Brisbane. Onderweg werd er gestopt en stond er op het perron een ontbijt voor een ieder klaar.

Het opvangkamp Wacol

Vanaf het station in Brisbane gingen we  waarschijnlijk met een bus naar het opvangkamp in Wacol, Queensland. Dat kamp was in 1942 opgericht voor de Amerikaanse troepen (5000 man) en heette Camp Columbia. In 1944 werd het voor de Australische manschappen. Uiteindelijk werd het in 1949 tot 1987 het Wacol Migrant Centre. In 1990 werd het geruimd en in 1992 kwam daar een soort correctie centre dat later een gevangenis werd en dat tot heden nog is. (veel van internet gehaald onlangs)

Wij kwamen terecht in een tinnen hut (nissen hut) en ome Ees met familie en ome George met gezin in een houten huisje. Niet bij elkaar hoor. Op dat kamp was natuurlijk een keuken, het was tenslotte een dorp op zich, waar wij eten moesten halen. ‘s Morgens was het vaak cornflakes en scrambled eggs. Daar stond je dan in de rij met een dienblad met bakjes erop. We gingen daar vaak naar de film. Toendertijd waren er veel cowboyfilms. Ik kan me niet herinneren dat we naar school moesten. Het zal wel want je moest tenslotte Engels leren. Het was een migranten school. De ouders kregen daar ook Engelse les.

Om de tijd te doden gingen we daar met de jongens de boel verkennen. Door de bossen en hoog gras lopende niet wetende toen dat er giftige slangen en spinnen zouden zijn. Wisten wij veel, was ons nooit verteld. Heb er wel een zien liggen op een afstand. Een black snake. Midden op een zandpad.

We zijn ook een keer met het hele gezin met een schoolmeester, Mr. McBurney, in zijn auto naar een nabijgelegen natuurpark geweest. Dat was op Mount Tamborine. Ik vond het raar dat we in de wolken liepen. En dat is het enige wat ik herinner, geen dieren gezien denk ik. Met anderen is hij naar de Gold Coast geweest en rondritten gemaakt. Ik denk dat hij iedereen een beetje kennis wou maken met de natuur van het land.

Verhuizen

De familie Visser is ongeveer 6 weken in het kamp geweest totdat ze naar 48 Accession Street, Bardon, Brisbane gingen verhuizen. Daar hadden ze een huis, via hun neef, gehuurd. Zij zijn in januari 1965 wegens heimwee van ome George teruggegaan naar Nederland. Niemand van het gezin vond het fijn om weer terug naar Nederland te gaan. Vooral tante Nies niet, aangezien die had het prima naar haar zin had.

De andere Van den Brink zijn ongeveer twee en half jaar in Wacol geweest en zijn toen weer teruggegaan naar Nederland. Ome Ees zag er geen toekomst voor zijn kinderen. Maar ja, Engels niet machtig zijn dan ga je niet zoeken want er was wel degelijk een hogeschool in de buurt. Ze zijn wel naar een lagere school in Goodna gegaan. Het zou zo zijn, dat de emigranten minstens 2 jaar moesten blijven en anders het gesubsidieerde geld terugbetalen. Maar blijkbaar was dat niet zo’n strikte regel, omdat ze uiteindelijk helemaal niet veel hoefden te betalen voor de reis.

Hoe lang we daar in het opvangkampkamp gebleven zijn weet ik niet. Misschien 1-2 maanden. 

Vanuit het opvangkampkamp zijn we verhuisd naar een huis in Silkstone, in de gemeente Ipswich, waar mijn vader een huisje had gekocht .Zoals vele huizen stond deze ook op palen. Voor ca.1,5 meter en achter 0,5 meter hoog. Het had een veranda, woonkamer, 2 grote en 1 heel klein kamertje, badkamertje en een keuken. Gas en heet water was er niet (toch?). Misschien een petroleumstel of gasflessen. Als je in bad moest werd er buiten in een soort potkachel met een koperen bak water gekookt. Ik was vaak de stoker.

Er was een grote tuin en groot grasveld die met een motormaaier werd gemaaid. Mijn vader verbouwde daar vele soorten groenten. Achter in de tuin stond een schuurtje met gereedschap en kon je iets klussen met aan de linkerkant een kippenren met enkele kippen. Op het grasveld was een klein vogelhokje (volière) met enkele parkietjes. Die hadden we gekregen van buurman Haines die ze kweekte.

De groententuin

Bij die buren, Arthur, Els en de kinderen Diane, Laurel en Sharon zijn we wel enkele keren tv wezen kijken want wij hadden er geen. Het was trouwens het begin van de tv-tijd. Later hebben mijn ouders er een gehuurd.

Aan de rechter kant van ons huis woonde Mrs. Leslie, opoe genaamd door ons. Het was een heel oud vrouwtje, alleen wonend. Ik mocht daar verschillende keren in een hoge boom klimmen om loquats te plukken. Je had zo een emmer vol. Ze had ook veel bananenbomen.

Wij hadden achter in de tuin ook een stuk of vijf pawpawbomen (papaja) staan.

In de tuin in Australië

Als je nu op Google Earth kijkt, zie je er 2 roodgekleurde huizen staan. Wij woonden op 41 Cole street.

We hebben ook een keer een keukenbrandje gehad. Pa had het zelf uitgekregen maar de brandweer is toch nog even op het zoldertje wezen kijken. Ik heb van dit alles niets mee gekregen aangezien ik op dat moment in het ziekenhuis lag met geelzucht. Alleen op een kamertje. Hoe lang ik daar gelegen heb weet ik niet meer. Het zal 1 of 2 weken geweest zijn. Je verveelde je te pletter.

Over dat zoldertje gesproken, ik was altijd de klos om daar naar boven te gaan om de kakkerlakken te doden met een flitsspuit met gif. Je moest goed uitkijken dat je over de balken ging anders ging je door het plafond en lag je zo beneden. Het was gewoon board.

Naar school

Wij gingen daar naar Silkstone State School, opgericht in 1882. Het stond enkele straten achter ons huis, kwartiertje lopen. Wim in de 1ste, Henk in de 3de en ik in de 6de klas. Ik zat in Nederland in klas 6, Wacol 6, Silkstone 6 en het volgende jaar weer in klas 6. Dus ik was eigenlijk een beetje te goed voor 6 dus ging pa vragen voor wat huiswerk van klas 7 bij de bovenmeester.

Het extra huiswerk heb ik maar eventjes gedaan en toen ben ik gaan werken. Ik denk dat het in eind 1962, begin 1963 was. Er werd daar op school wel melk gegeven. Je kon in de pauze een klein flesje halen. Ik heb ook nog eens een spreekbeurt moeten houden. Ik heb het toen over de reis van Nederland naar Australië gehad.

Elke morgen in mijn blauw / grijs uniform stonden we opgesteld, nadat de bel was gegaan, om “God save the Queen“ te zingen. De namen van de  kinderen die bij mij in de klas zaten weet ik totaal niets meer van, zelfs de meester niet. Alleen had ik wel een vriend, Alex McPherson, waar ik wel mee optrok. En er was ook een meisje die heel erg leuk was, Lyndene Bowles. Dat zijn eigenlijk de enige namen die ik me nog kan herinneren.

Aan het werk

M’n vader had al werk in Brisbane als metaalslijper bij een electroplating bedrijf. Dat was S.Cook & sons, opgericht in 1890. Het bestaat nog steeds met de vierde generatie. Ik heb daar na mijn schooltijd ook gewerkt als electro-plater werkend met veel giftig spul. Om diverse spullen te reinigen, met zoutzuur, en verder met cadmium, zink, tin. Er werden veel boutjes, moeren en schroeven met cadmium bewerkt in 3 oude draaiende cementmolens, gewassen met water en dan drogen in een oude centrifuge en daarna alles weer in de doosjes doen. Het was eigenlijk een vies bedrijf. Ik kan alles zo nog uittekenen, waar alles stond. Kortom, het hele gebouw. Want er werden ook heel veel autobumpers verkopert, vernikkelt en daarna verchroomt. En boven was een klein hoekje waar veel hotel-spullen zoals kannen, potten en bestek, werden voorzien van een laagje zilver. Enkele namen van personeel zijn nog in mijn geheugen blijven hangen en die zie je dan nog zo voor je. Er werkten veel buitenlanders en maar enkele Aussies. Ik denk alles in totaal een man of 20-25. Ik werkte in de kelder met nog een Nederlander, Henk genaamd. Voor de middagpauze ging ik langs enkele mannen om te vragen of ze iets wilden eten of drinken en nam dus de bestelling op en ging aan de overkant van het bedrijf in een eettentje de bestelling afwerken. Ik kreeg ook wel eens voor niets lekkere, een soort tompoes die voor de volgende dag niet meer verkocht werd, mee naar huis.

Dagelijks leven en vermaak

We zijn daar met z’n allen niet vaak weg geweest. Ik herinner me, dankzij een foto, dat we een keer naar het strand zijn geweest. Maar waar dat was en hoe we daar gekomen zijn is me niet bijgebleven. Verder gingen we vaak winkelen in Ipswich. Een klein uurtje lopen. Er moesten boodschappen gedaan worden. Er was wel een klein winkeltje redelijk vlakbij. Nu zag ik op Google Earth dat er vlakbij ons huis een groot winkelcentrum staat.

Pa en ik gingen ook wel eens vissen in de Brisbane River.Het was wel een stevige wandeling er naar toe. Niet met een hengel maar met een cola flesje, daar wikkel je de lijn op en zowat aan het eind van de lijn was het haakje en aan het eind zat een grote moer zodat je die goed kon werpen. We vingen voornamelijk catfish. Je moest uitkijken met het haakje eraf halen want ze hadden drie gemene stekels aan de rug- en zijvinnen. Je moest ze op een bepaalde manier vasthouden. Ik ben wel eens geprikt tussen de vingers.

Terug naar Nederland

Waarschijnlijk was de datum van vertrek naar Nederland 28 oktober 1964 en aankomst 28 november. Dit was door heimwee van mijn moeder.

We gingen met een Italiaans passagiersschip, M.S. Sydney, terug naar Nederland. Wat we eventueel gedaan of beleefd hebben weet ik niet meer. Ik herinner me wel dat ik op het schip post kreeg waarin mij werd verteld dat mijn opa was overleden. Mijn ouders wisten dat toen nog niet. 

We zijn in Genua, Italië van boord gegaan en toen met een nachttrein op naar Arnhem. Daar op het station zijn we toen opgevangen door ome Ees en tante Annie en misschien nog enkele mensen. We woonden zolang bij hun in op de Borneolaan in Ede. Zij met 8 personen en wij met 6 erbij.

Weer aan het werk

Mijn vader had betrekkelijk snel werk bij Stroomberg Slachterij in Ede. Ik had ook redelijk snel werk bij Bruin de Jong als metaalbewerker. Ik moest daar metaal stampen, puntlassen, ombuigen (kistjes b.v.). Later frezen, schaven en draaien. Dat heb ik tot juli 1967 gedaan.

Militaire dienst

Daarna ging ik voor 5 jaar als technisch specialist in militaire dienst. Zes maanden basisopleiding in Roermond waaronder rijopleiding in een DAF 328 (dikke Daf genaamd), twee maanden rijopleiding voor AMX chauffeur (pantserrupsvoertuig) in Veldhoven. Daarna de parate troepen van het 47ste pantserinfanteriebataljon in Havelte. Tussendoor 2 maal 3 maanden opleiding wegenbouwmachines in Vught en Wezep.

In juli 1972 heb ik de dienst verlaten. Een half jaar voor de uittreding zijn Ina en ik getrouwd, dan kreeg ik tenminste een hogere premie.

Op vakantie naar Australië

Later gelukkig weer een keer met Ina terug geweest naar o.a. Silkstone. We vertrokken toen op 23-12-1996 en kwamen aan in Cairns op 25-12-1996.